Advies onderwijs 2032 en wetenschap: hoe is dat te peilen?

Ben Wilbrink

Opvattingen over wetenschappelijkheid van het advies van het Platform kunnen ver uiteenlopen, wat doet vermoeden dat de zaak niet met een paar overzichtelijke argumenten valt te verhelderen. Langs welke lijnen is de kwestie onderzoekbaar te maken?

Het advies geeft aan dat wetenschappers zijn geraadpleegd, wetenschappelijk onderzoek is geanalyseerd, en dat derden — zoals de OESO — is gevraagd om zo’n analyse te maken. Het Platform analyseert dus zelf, en neemt ongetwijfeld de analyses van derden niet louter voor kennisgeving aan. Beschouwt het Platform deze eigen activiteiten op zich als een wetenschappelijke benadering, of misschien toch meer als het journalistiek samenbrengen en integreren van verkregen informatie? Als het eerste het geval is, waaruit kan dat dan blijken? Schnabel gaf in Buitenhof aan dat zijn wetenschappelijke onderbouwing niet in het advies zelf zit, want dat zou het te zwaarwichtig maken; kennelijk is het advies een publiekssamenvatting.

Het Platform zelf is divers van samenstelling, dat roept de vraag op hoe het de aangeleverde feitelijke/wetenschappelijke informatie heeft gewogen en hoe het is gekomen tot het advies, dat immers unaniem door de leden van het Platform is onderschreven (er zijn mij geen minderheidsstandpunten bekend). Ligt hier mogelijk een probleem, dan? Ja, want wetenschap gaat niet per commissie. Oké, dat laatste is een ideaalbeeld, maar laten we er maar liever zo lang mogelijk aan vasthouden.

Met deze inleidende beschouwing weten we dus al dat het advies bestaat uit teksten die al dan niet wetenschappelijk onderbouwd zouden kunnen zijn, maar om daar achter te komen moet een berg achterliggende stukken en informatie worden doorgeworsteld. Tenzij bepaalde claims evident op gespannen voet staan met de rede of met wetenschappelijk inzichten die we er zelf tegenover kunnen stellen. Overigens heeft het advies zelf wel degelijk een notenapparaat, maar wie daar even een blik op werpt ziet er nauwelijks enige wetenschap tussen. De OECD, bijvoorbeeld, is geen onafhankelijk wetenschappelijk instituut.

Het Platform heeft een opdracht meegekregen van de staatssecretaris. Zo’n opdracht is op tal van manieren uit te voeren. Hoe is het Platform met die vrijheid omgegaan? Is er eerst een theoretisch kader uitgewerkt, met een methodische aanpak voor de verder te ondernemen activiteiten? Of is het Platform gewoon aan de slag gegaan, naar bevind van zaken handelend, werkendeweg de problemen oplossend? Dit zijn eigenlijk dezelfde vragen als die naar de representativiteit van de leraren die het Platform heeft ontmoet: die leraren zijn niet aselect gekozen, maar het zijn leraren die om allerlei redenen waarschijnlijk al gemotiveerd waren om het Platform aan te horen of informatie te geven. Schnabel laat in De Volkskrant van 12 april weten dat die groep leraren inderdaad niet representatief is. Een methodologisch correcte aanpak maakt voor de wetenschappelijkheid van het project een verschil als dat tussen hemel en aarde.

Een theoretisch kader met methodische aanpak zou bijvoorbeeld een aantal mogelijke scenario’s kunnen specificeren, met een beargumenteerde aanpak voor de verzameling van data (raadplegingen) die onderscheid kunnen maken tussen die scenario’s. Herken hierin een analogie met hypothese-toetsend onderzoek: het Platform zou scenario-toetsend onderzoek kunnen doen. Heeft het iets dergelijks willen en kunnen doen? Of is er impliciet een specifiek scenario gekozen, waar vervolgens ondersteunend bewijs bij is gezocht (mogelijk zonder te zoeken naar tegenspraak)? Ik heb zelf enige tegenspraak ingediend bij het platform, en dat lijkt me niet echt adequaat behandeld (zie hier een voorbeeld).

Het bovenstaande is eigenlijk een soort theoretisch kader voor de onderzoekvraag: in hoeverre is het advies van het Platform wetenschappelijk onderbouwd? Aan de hand van dat kader is het ook mogelijk om specifieke uitspraken in het advies te analyseren. Zoals daar zijn:

  1. Welke empirische claims doet het Platform, en hoe zijn die onderbouwd?
  2. Welke standpunten neemt het Platform in, en hoe zijn die verantwoord?

  3. Zijn er impliciete vooronderstellingen die maar beter expliciet gemaakt kunnen worden?

Dat zijn vragen die ongetwijfeld tot vele afzonderlijke blogs aanleiding geven. Maar ik kan wel enkele voorbeelden geven.

ad 1)
Advies: “de leerling ontwikkelt kennis en vaardigheden door creativiteit en nieuwsgierigheid in te zetten”
Dit is dubbel en dwars een empirische claim. Maar het is binnen cognitief-psychologische kaders vooral onzin. Dat wordt dus een boeiende oefening om de boel te ontrafelen. Hier blijkt ook dezelfde moeilijkheid als rechters ervaren: er zijn getuige-deskundigen nodig, maar hoe zijn die te vinden?

ad 2)
“Kennis zit tegenwoordig in apparaatjes.”
Dit is een wat onhandige uitspraak van de voorzitter van het Platform, in een radio-uitzending. Het Platform heeft op deze opvatting al ingebonden, onder andere na kritische opmerkingen van onderwijsspecialisten in de Tweede Kamer. De vraag blijft: is het Platform aan zijn opdracht begonnen met het idee dat kennis minder belangrijk is, en ‘vaardigheden van de 21e eeuw’ juist prioriteit krijgen? Hoe speelt dit zich uit in het eindadvies, en het voortraject?

ad 3)
Het Platform presenteert soms ideeën alsof ze zo vanzelfsprekend zijn dat ze geen toelichting behoeven. Dat wordt pijnlijk wanneer anderen er dan op kunnen wijzen dat als nieuw gepresenteerde ideeën al een lange baard hebben. De baard is geen probleem, maar als het om een ideologische richting gaat ligt dat even anders. Gert Biesta geeft er een voorbeeld van, in een stuk voor het Platform dat ook in Trouw verscheen:

  • Mijn suggestie is dat het voorstel, vanwege de centrale positie van persoonlijke ontwikkeling en het pleidooi voor domeinen in plaats van vakken, vooral de geest ademt van de reformpedagogiek van eind negentiende en begin twintigste eeuw.

ter inspiratie

Greg Ashman (May 19, 2017). 7 tools for thinking about education. blog

C. Glenn Begley & John P.A. Ioannidis (2015). Reproducibility in Science. Improving the Standard for Basic and Preclinical Research. Circulation Research. free

Douglas Carnine (2000). Why education experts resist effective practices. (And what it would take to make eduction more like medicine). Thomas B. Fordham Institution. report pdf

John P. A. Ioannidis (August 30, 2005). Why most published research findings are false. PLoS Med 2(8): e124. doi:10.1371/journal.pmed.0020124 open access

Daniel Mugge (15 juli 2016). Ceteris paribus: Het woord aan Daniel Mugge. ESB. commentaar

  • Inhet debat over onderwijs, zeker waar dat debat door organisaties als de OECD wordt gedomineerd, hebben (onderwijs)economen tegenwoordig een buitengewoon invloedrijke positie, die zich beroerd verhoudt tot hun kennis van onderwijs en onderwijsonderzoek. Maar dat is mijn (b.w.) opinie, al zijn er verontrustende aanwijzingen voor. Zie voor dat laatste bijvoorbeeld de discussie over grit, een idee van Angela Duckworth dat krachtig de wereld in is geslingerd door nobelprijswinnende econoom Heckman samen met enkele Nederlandse onderwijseconomen. Mugge gaat in op een discussie aangezwengeld door enkele sociologen met onderwijseconomen van het CPB (o.a. Van de Werfhorst en Bol 20 juni 2016). De overwegingen van Mugge zijn zeker ook relevant voor de discussie over het Eindadvies van het Platform 2032.

Daniel Sarewitz (2015). Saving Science. Science isn’t self-correcting, it’s self-destructing. To save the enterprise,
scientists must come out of the lab and into the real world. The New Atlantis. A Journal of Technology & Society. free

Sander Voormolen & Karel Berkhout (14 november 2015). Gesel van de wetenschap ziet licht aan de horizon. Onderzoeken die elkaar tegenspreken maken burgers cynisch. De wetenschappelijke methode is aan verbetering toe, vindt John Ioannidis. web

  • Ioannidis onderzoekt hoe wetenschappelijk onderzoek niet altijd glasheldere resultaten oplevert en hoe onderzoekers daar niet altijd even handig mee omgaan. Ik druk me heel eufemistisch uit. Dat is voor het publiek dus knap lastig. En voor de status van de wetenschap bedreigend. Nu heeft Ioannidis vooral biomedisch onderzoek op de korrel, harde wetenschap zou je denken, maar lees het artikel en zie hoe een en ander ook voor onderzoek in het onderwijsveld van belang is, inclusief de positie van een wereldspeler als de onderwijstak van de OECD (vergelijk: farmaceutische industrie).
    Met dank aan Wicherts, Borsboom en Van der Maas, die Ioannidis voor een intrigerende middag over deze thematiek naar Nederland (UvA) haalden.

Herman van de Werfhorst & Thijs Bol (20 juni 2016). Kansrijk Onderwijsbeleid: De economische tunnelvisie van het CPB. SRV Stuk Rood Vlees blog

first series of blogs in reverse chronological order

Advertenties

Een gedachte over “Advies onderwijs 2032 en wetenschap: hoe is dat te peilen?

  1. Pingback: Kritisch kijken naar Onderwijs2032 – een gesprek met de Onderwijscoöperatie – Onderwijzerblog

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s